Laatst bijgewerkt: 17 mei 2026
IUCN-status: Niet bedreigd (2009)
Nederlandse naam: Enteromius fasciolatus.
Wetenschappelijke naam: Enteromius fasciolatus (Günther, 1868).
Synoniemen: Barbodes fasciolatus, Puntius fasciolatus, Barbus faciolatus, Barbus barilioides.
Oorsprong: Afrika.
Landen: Angola, Botswana, Democratische Republiek Congo, Namibië, Zambia en Zimbabwe.
Leefomgeving: Het natuurlijke leefgebied van de Enteromius fasciolatus bevindt zich in tropisch Centraal- en Zuidelijk Afrika. Deze soort heeft een zeer uitgestrekt verspreidingsgebied. De vis is wijdverspreid over verschillende grote riviersystemen en meren in Afrika. Ze komen met name voor in Angola en Zambia, maar breiden zich ook uit naar omringende landen zoals Botswana, de Democratische Republiek Congo, Namibië en Zimbabwe. Hun leefgebied omvat de boven- en middenlopen van de Zambezi en de Congo-rivier, evenals de rivieren de Cunene, Kafue en Okavango. Ze worden ook veelvuldig aangetroffen in Lake Kariba, Lake Mweru en de uitgestrekte Bangweulu-moerassen. Ze leven voornamelijk in de ondiepe baaien van meren, traag stromende zijrivieren en tijdelijke uiterwaarden (floodplains). Tijdens het regenseizoen migreren ze naar deze overstroomde gebieden om zich voort te planten. Anders dan veel moerasvissen hebben ze een sterke behoefte aan water met een hoog zuurstofgehalte, ondanks dat de stroming vaak traag is. Ze houden zich op tussen dichte onderwatervegetatie en moerasplanten. De bodem van hun leefgebied ligt vaak bezaaid met organisch materiaal zoals bladeren, turf en boomwortels. Dit materiaal geeft humuszuren af, waardoor het water erg zacht en licht zuur is (pH-waarde tussen 5.0 en 6.5), en vaak theekleurig oogt.
Geslachtsonderscheid: Het mannetje is kleiner en slanker gebouwd dan het vrouwtje.
Temperatuur: 22 - 26 graden Celsius.
pH: 5 tot 6,5.
GH: 5 tot 12.
Licht: Matig.
Beplanting: Dichte randbeplanting met nog wel voldoende zwemruimte. Drijfplanten zijn aan te raden en dan kan de verlichting wat sterker.
Bodembedekking: Zand of grind. Wat bladafval (gedroogde eiken of beuken bladeren) op de bodem en (kien)hout of takken worden zeker ook op prijs gesteld.
Stroming: Matig.
Leeftijd: 5 jaar.
Lengte: Tot 5 cm.
Voedsel: In de natuur geniet deze alleseter van een veelzijdig dieet, bestaande uit wormen, insecten, schaaldieren, plantaardig materiaal en ander organisch afval. In het aquarium geef je hen het beste levend of diepvriesvoer, zoals watervlooien, muggenlarven, artemia of grindalwormen. Vul dit aan met hoogwaardig droogvoer en korrels, bij voorkeur met een hoog gehalte aan plantaardige ingrediënten of algen, om een optimaal gebalanceerd dieet te garanderen. Daarnaast kun je ze verwennen met verse groenten, zoals geblancheerde spinazie of vergelijkbare opties, die ze zeker zullen waarderen.
Aquariummaat: 80 cm.
Waterlaag: Onder het midden.
Karakter: Zeer vreedzaam.
Aantal: Schooltje van minimaal 8 vissen.
Geschikt voor: Beginners met enige ervaring.
Geschikt voor gezelschapsaquarium: Ja, mits samengehouden met niet te grote en drukke vissen.
Tijd voor uitkomen eitjes: Na ongeveer 2 dagen.
Bijzonderheden:
Kweekinfo: De kweek met de Enteromius fasciolatus is niet eenvoudig.
Men dient de vissen, voordat ze in de kweekbak worden geplaatst, zorgvuldig gedurende een periode van 1 of 2 weken goed te voeren met eiwitrijk voedsel, zoals levend voer, om hun conditie optimaal te maken. Het is zeer belangrijk dat de bodem van de kweekbak wordt bedekt met een laag knikkers van ongeveer 3 knikkers hoog, zodat de eitjes veilig kunnen wegzinken en beschermd zijn. Daarnaast moet er een overvloed aan Javamos aanwezig zijn, dat fungeert als een extra schuilplaats en een geschikte plek biedt waartussen de eitjes kunnen worden afgezet en beschermd blijven tegen mogelijke bedreigingen.
Het is aan te raden om een aantal koppeltjes in de kweekbak te plaatsen, zodat de kans op een succesvolle kweek aanzienlijk wordt vergroot. Wanneer de vissen beginnen te paren, worden er doorgaans zo'n 250 eitjes afgezet, wat zorgt voor een goede basis voor de kweek. Na de ei-afzetting is het van groot belang om de volwassen vissen direct uit de kweekbak te verwijderen, omdat ze anders geneigd zijn om de eitjes op te eten, wat een succesvolle kweek kan verhinderen. Binnen ongeveer 1 of 2 dagen komen de jongen uit de eitjes tevoorschijn, en na nog eens 3 dagen beginnen ze vrij rond te zwemmen. Op dat punt kan men starten met het opkweken van de jongen, eerst met fijn stofvoer en later met Artemia-naupliën, om hun groei optimaal te ondersteunen.
Hoe nuttig vond je dit artikel?
Klik op een ster om jouw beoordeling achter te laten.
(Plaatsing star-rating 23-02-2025)